Dimitri Verhulst’s geweldige proza verveelt nooit. Evenmin In weerwil van de woorden

Dimitri Verhulst’s recentste novelle, In weerwil van de woorden, gaat, behalve de postfobie waaraan de hoofdpersoon lijdt (ziekte van Verholst, naam van), nergens anders meer over, maar de geweldige proza van Verhulst maakt dat het toch een waar genot is om te lezen.

Pol Verholst, zo heet hij, werkt voor de kost als tandarts en is de zoon van een postbezorger; de ironie. Dat detail is uiteraard typisch Verhulst. Verholst blikt, terwijl hij in een politiecel zit, onder meer terug op zijn jeugd en laat daarbij zijn mening niet onder stoelen en banken steken. Hij kan zich bijvoorbeeld niet voorstellen dat militairen hun leven zouden geven voor een land dat ,,ereis toch zou ophouden met bestaan”, terwijl hij in de krijgsmacht diende als dienstplichtige. Militairen omschrijft hij als ,,sukkels” die in plaats van ,,manhaftig om te gaan met de zalige zinloosheid van het leven”, zich toch ,,lieten wijsmaken dat je kunt sterven voor íets.” Briljant. 

Psychologen omschrijft hij als ,,pissologen” die aan kwakzalverij doen, gebouwd op de stellingen van toogfilosofen. Dat kwam, hij kreeg bezoek van een psycholoog die hem allerlei vragen stelde over zijn leven. Zoals dat hij geen brief kreeg van zijn moeder – die hij nooit had, toen hij op zomerkamp zat. Volledig verzonnen overigens, want anders moet hij ,,weer bloemkolen uit de grond rukken en in deze kamer is het tenminste warm.” En daarnaast: hij had dus geen moeder, maar dat vertelde hij niet, omdat dat ,,precies is wat zij willen horen”. Pas zodra hij het verzoek krijgt om zijn ,,betekenisloze” leven neer te pennen, begint het échte verhaal.

Gaandeweg lezen we over zijn beroep als tandarts waarbij hij de meest slechtste en verrotste mondhoeken ter wereld krijgt te zien, en het vooral omdat zijn klanten voornamelijk uit het lage sociale milieu komen en omdat hun verzekeringen, waar ze ieder dubbeltje voor moeten omdraaien, sommige tandartsbehandelingen niet blijken te dekken, voor hen het – soms – om het niet doet. Zo ontdekt hij later als hij carrière heeft gemaakt als tandarts een tomatenplant die dankzij de goede leefomstandigheden zich in het gebit van een patiënt nestelde en bloeide – er groeide zelfs een tomaat uit, die hij vervolgens liet weghalen en later door diezelfde patiënt daardoor en daarvoor werd aangeklaagd. Ook bij een zowel figuurlijk als letterlijke patiënt die verslaafd was aan drugs en sigaretten moest hij een tand verwijderen, waarbij hij later nog het advies gaf dat de bloedvaten stuk kunnen gaan indien hij tijdelijk niet zou stoppen met paffen, en hem dan vervolgens weer terugzag in zijn praktijk.

Overheden haten dichters, omdat zij de wereld begrijpelijker maken.

Zijn klaagzang over de blauwe enveloppen die hij op de mat krijgt, is het beste uit dit hele verhaal. Als voorbeeld legt hij een gedicht voor, die hij prima kan begrijpen, en ter vergelijking direct daaronder een brief van de overheid. Een brief die vol staat met allerlei moeilijke juridische termen en afkortingen, waaronder deze voorbeeldzin: ,,Naar aanleiding van de GTOC ingediende AV met betrekking tot KMR, wordt u erop gewezen dat u de TPLB die aan deze AV is verbonden, deze zo spoedig in behandeling is genomen (…)”. Zijn conclusie: ,,Overheden haten dichters, omdat zij de wereld begrijpelijker maken.”

Uit angst probeerde hij ook een keer zijn post op te eten, nadat hij daarover las in de krant. Een Britse vrouw zou namelijk hetzelfde hebben gedaan, waardoor hij het ook probeerde. Tevergeefs. Met peper en zout, mayonaise; gefrituurd, zijn de enveloppen nochtans niet te behappen.

,,Ze komen me halen. Ik voel het, ik weet het, en het kan me weinig schelen.”

Geef een antwoord