Een essay over de hoop

Kun je leven zonder te hopen? Dat is de vraag die ik in dit essay probeer te beantwoorden. Allereerst zullen we het begrip ‘hoop’ moeten definiëren. Daarna wordt de maatschappelijke en religieuze waarde van het begrip nader bekeken. Ten slotte zal ik een antwoord proberen te formuleren met de kennis die ik dan over dit onderwerp heb opgedaan.

Begrippen en definities

Er zijn twee soorten hoop. Hoop en wanhoop. Hoop in algemene zin betekent een vurig verlangen naar iets dat moet plaatsvinden. In Passions of the Soul schrijft de zeventiende-eeuwse filosoof Descartes dat het begint bij de overweging of het mogelijk is. Dat is het startpunt. De hoop ontstaat vervolgens uit het goede geloof dat het mogelijk is. Radeloosheid ontstaat daarentegen uit het goede geloof dat het niet mogelijk is.

Ik kan dus zeggen dat de hoop optimistisch van aard is. Het komt alleen in ons naar voren wanneer we een goed gevoel hebben over de uitkomst. Ook kan ik zeggen dat het een inschatting is op basis van een situatie. Want het moet ergens vandaan komen.

Een crisissituatie, bijvoorbeeld. Of een sportwedstrijd als supporter van een van de spelende teams. Bovendien weet ik nu dat het een wens is en ik weet ook dat wensen niet altijd in vervulling gaan. Dat klinkt logisch, maar die mogelijkheid zou ook in die overweging meegenomen moeten worden. De vraag is in hoeverre dat gebeurt.

Want als het iets waarop gehoopt wordt van het eigen leven afhangt, dan voorzag Descartes enkele moeilijkheden die kunnen optreden. Dat zijn:

  • Bepalen hoe je het kan verkrijgen of kan vermijden.
  • Je in beweging krijgen om te doen wat er gedaan moet worden.

Het eerste leidt volgens hem tot besluiteloosheid, wat ons aanmoedigt om te overleggen en advies te vragen. Het tweede kan angst bij ons veroorzaken. Als de hoop extreem van aard is, schrijft Descartes, dan is dat de betekenis van zelfvertrouwen. Als de radeloosheid extreem van aard is, dan is dat wanhoop. Nu rijst bij mij de vraag op: wat zijn de consequenties van een hoop die niet bevredigd wordt?

Als ik alles op een rijtje zet, kan ik niks anders dan teleurstelling verzinnen. Als ik bijvoorbeeld heb gehoopt op een mooie prijs en ik win niets, dan zal ik teleurgesteld zijn. En afhankelijk van die teleurstelling zal het mij pijn doen. Vaak is het dan na een tijdje weer over. Maar als die teleurstelling zo heftig is, als een donderslag aan de hemel, zijn de mogelijkheden dan niet eindeloos? Kan het dan niet erger gaan uitpakken voor mij dan ik aanvankelijk wenste?

Om die vraag te beantwoorden zal ik verder moeten gaan kijken naar de expressie wanhopig en de staat wanhoop. Om te beginnen zie ik de hoop als een laatste redmiddel, een houvast voor mensen in onzekere tijden. Descartes zei dat het zekerheid en veiligheid biedt. Dat zou de aantrekkingskracht ervan kunnen verklaren. “De hoop zaait verwarring over de waarschijnlijkheid dat iets plaatsvindt”, schrijft de negentiende-eeuwse Duitse filosoof Schopenhauer. “Hij die de hoop heeft opgegeven geeft ook zijn angst op. En dat is de betekenis van de expressie wanhopig”, schijft hij verder. De staat wanhoop omschrijft hij als een hoop “die door herhaaldelijke slagen van het lot is weggevaagd en is teruggebracht naar een omgekeerde voorwaarde”. De kans is dan zo klein geworden dat de radeloosheid het heeft overgenomen van de hoop. De wanhopige voelt zich daardoor gegijzeld en is ten einde raad.

In principe zou je mijn vraag dus kunnen beantwoorden met een volmondige ‘ja’. Immers, de teleurstelling dat iets niet is gebeurt kan evengoed vervangen worden door de teleurstelling dat iets niet dreigt te gebeuren. Zodra men doorheeft dat hun verlangen niet bevredigd gaat worden, raken ze in paniek. Dan worden ze radeloos en laf. En lafheid is in strijd met (vrij)moedigheid, merkte Descartes op. De consequentie van de hoop kan dus wanhoop zijn, weten we nu.

Terug bij die uitspraak van Schopenhauer. Wat bedoelt hij daar precies mee? Welnu, wat we inmiddels weten is dat de hoop ontstaat bij een positieve inschatting over de mogelijkheid dat iets zal gebeuren. Omdat zoveel factoren een rol spelen bij de kans dat het zal gebeuren, omdat we niet zeker weten of het ook echt gaat gebeuren, zaait het verwarring.

Wie eenmaal wanhopig is geworden, verkeert in extreme radeloosheid. Dat is een kenmerk waar niet aan getornd kan worden. Hij durft dan niks meer te ondernemen, omdat het voor zijn gevoel toch geen zin meer heeft. Hoe komt iemand hieruit? Heel simpel: door te hopen. Alleen de hoop kan die negatieve spiraal doorbreken. Alleen dan stopt het pas. Sommige mensen die in deze staat verkeren kiezen voor een andere ‘oplossing’. Zelfmoord, bijvoorbeeld, of een criminele daad. Daar komt het begrip ‘wanhoopsdaad’ dan ook bij kijken. Onvermijdelijk ligt de volgende vraag op de loer: hoe voorkomen we wanhopig te worden?

Ik denk dat het antwoord daarop vrij simpel is: door gewoon niet te hopen. We zien nu dat de hoop tot extreme situaties kan leiden. Radeloosheid en wanhoop, bijvoorbeeld. Ook weten we dat het eigenlijk een illusie is: het geeft je het idee dat je wens daadwerkelijk uit gaat komen, of in ieder geval de schijn van. En heel even voelt dat vertrouwt aan, maar het is en blijft een gok. De hopende probeert een reden te vinden om erin te geloven, maar de onzekerheid die blijft. Dat laatste verschijnsel kan trouwens verklaart worden door de menselijke neiging om negatieve toekomstige gebeurtenissen niet in hun leven te betrekken. In de psychologie noemen ze dit optimism bias, een rooskleurig beeld van het eigen leven.

Maatschappelijke en religieuze waarde

Na dit alles gezegd te hebben zijn we bij religie aanbelandt, waar de hoop een wezenlijke rol vervult. Want wie is niet bekend met de figuur die de hoop symboliseert. Ik heb het over God. Volgens de Bijbel geeft Jezus de mensen Hoop door de boodschap van God te verspreiden. Wie in Hem gelooft, zal beloond worden met een ticket naar het Paradijs. Dat legt ook meteen het essentiële verschil tussen de Bijbelse Hoop en de hoop in algemene zin bloot: vertrouwen. De Bijbelse hoop weet dat God de hoop niet frustreert, die zekerheid hebben ze. Hij is de dirigent, hij orkestreert alles. Daarmee onderscheid het zich met de onzekerheid waarmee de hoop in algemene zin gepaard gaat. Er komt geen twijfel aan te pas. Volgens de Bijbel is iemand die niet in God gelooft dan ook iemand zonder hoop (Ef. 2:12).

Je zou dus kunnen zeggen dat de Bijbel het eerste literaire werk is die schreef over de hoop. Het is het fundament waarop alle Bijbelse verhalen gebaseerd zijn.

Ook in de taal wordt de hoop veelvuldig gebruikt. Neem bijvoorbeeld het gezegde: “Hoop doet leven”. Het is de hoop die ons nieuwsgierig maakt en in leven houdt, zo luidt de spreuk. De Engelse taal kent daartegenover het gezegde: “It’s the hope that kill’s you”. Dat is dan weer de beschrijving van een hoop die altijd teleurstelt.

De Duitse filosoof Friedrich Nietzsche schreef ook over de hoop. De mythe van Pandora, waarop zijn verhaal gebaseerd is, ziet hij als een metafoor voor de hoop. In het ‘vat met geluk‘ zou namelijk een enkel kwaad zijn achtergebleven, dat niet wist te ontsnappen. Daardoor zit de mens opgescheept met de hoop, die hij een van de kwellingen van de mens noemt. Hij noemt het zelfs ‘erger dan al het kwaad’.

“Zeus wilde niet dat de mens, hoezeer hij ook gekweld zou worden door de andere kwaden, zijn leven zou weggooien, maar dat hij zich steeds opnieuw liet kwellen. Daardoor geeft hij de mens hoop, die in werkelijkheid erger is dan al het kwaad, omdat het hoort bij de kwellingen van de mens.”

Zijn visie over de hoop kan mogelijk verklaard worden aan de hand van zijn levenshouding. Zijn levensmotto was namelijk amor fati, wat “liefde voor het lot” betekent. Door te hopen ontken je de harde realiteit en het lijden dat daarbij om de hoek komt kijken. We zullen ons lot juist moeten affirmeren.

Conclusie

We hebben nu geleerd dat de hoop een illusie is. Het enige wat het ons geeft is schijnveiligheid, daarvoor is de toekomst te onzeker. Bovendien weten we dat de hoop tot extreme situaties kan leiden, zoals een criminele daad of zelfs erger.

Door Nietzsche een kwelling van de mens genoemd en door Schopenhauer een verstikkingsdood, kan ik de vraag kortom met een ‘ja’ beantwoorden: het is inderdaad mogelijk te leven zonder de hoop. Het is misschien zelfs beter.