Slaapt. De deur gaat open. Er loopt iemand over de vloer. Ontwaakt. Wie- wie- wie is daar? Ah, het is de baas. En zoals gewoonlijk slaat hij mijn maaltijd over. Tijd om te gaan bedelen, alvorens ik eerst mijn armen en benen gestrekt heb. Niet onbelangrijk.

Kijk, wij katten zijn in de huiselijke sfeer geïntroduceerd om onze bewoners van gezelschap te voorzien. En dat is helemaal prima. Het enige wat ons stoort is dat we vrijwel altijd een minimale portie aan eten toegediend krijgen. En dat is gewoon zwaar onterecht in vergelijking met de aaifactor die wij hebben en de positiviteit die wij toevoegen aan het algehele plaatje in het leven van ze.

In een gecoördineerde houding zit ik om de hoek wachtend tot ik mijn baas of één van mijn andere co-bazen in mijn gezichtsveld constateer. En dat gebeurt… nu. Peter, de huisbaas, is van plan een boterham te smeren, maar daar steek ik een stokje voor. Ik blijf wachten tot de uitgelezen kans mij aanbiedt hem daarin te belemmeren. Intussen waak ik over mijn positie. Die moet en zal houdbaar blijven. Dat is waar ik voor vecht en strijd. Terwijl ik zeer aandachtig toekijk naar de manier waarop Peter zijn plan probeert uit te voeren, snel ik naar hem toe, direct nadat hij de pot chocopasta terug in de lade legt. En nu mensen, nu begint het echt.

De spanning is om te snijden. Ik ben van plan om mijn gebruikelijke trukendoos hiervoor in het toneel te brengen. De massapsychologie in volle gang. De stembanden zijn gesmeerd. In een paar seconden van tijd jank ik erop los. Mijn ogen worden kleiner. Ik begin te tranen. Óók dat nog. En het lukt!

Eerst probeerde hij nog zich van mij af te schudden, maar tóch slaagde mijn poging er alsnog in om zijn volle aandacht op mij te laten vestigen en om mijn aanbod te accepteren. De onderhandelingen zijn geslaagd. Ik voer, jij rust. Allemaal blij.

Zucht. Dit riedeltje speelt zich dus iedere dag, een aantal keer voor. En zelfs dan is het respect voor ons nergens te vinden. De stereotypen worden maar al te graag door de mensheid, vooral uit arrogantie, als een lopend vuurtje verspreidt. We zouden of te dik zijn, of we zijn weer de tuig van de richel die zogenaamd in de tuin van de buren onze behoeften doen, of we slapen zogenaamd alleen maar en zijn daardoor voor totaal nutteloos verdoemd. Pure nonsens.

De kat is het meest nuttige dier die de aarde heeft mogen wensen. Het is voor werkelijk alles wat je maar kunt bedenken geschikt. Als waakdier, als ongediertebestrijding, als voorbeeld: echt van álles. Dus het blijft maar gissen waarom die zelfverklaarde goden ons in het verdomhoekje plaatsen. Is het uit pure jaloezie? Angst? Zijn ze bang dat we de wereld in handen nemen, alleenheerser worden van moeder aarde? De angst is op zichzelf niet eens zo irrationeel, eigenlijk. Straatkatten terroriseren de buurten al jaren. En daar zit ongetwijfeld een politiek agenda achter. Maar uiteindelijk zullen we toch echt onze krachten samen moeten bundelen om volledige macht toe te eigenen. En zolang de meeste katten daar geen trek in hebben, is daar nog geen sprake van.

Het is ‘s middags. De zon schijnt. De plek waar de zon zich het sterkst op richt, is van mij. Ik lig op mijn rug heerlijk te genieten. Zonnenbakkend en wel. Slapen zal ik ook. Maar nu nog niet. Nee, ik ben lekker aan niksen. U weet wel: dat fenomeen dat uitgebreid in een Amerikaans tijdschrift is beschreven, maar eigenlijk niet alleen aan mensen of aan Nederlands te weiden is. Dit soort momenten moet je koesteren. Vóór je het weet ben je ze immers kwijt.

De jongste van het gezin is inmiddels van school gekomen. Hij is 15 en heet Joris. Uiteraard is hij weer degene die zodra hij zijn schooltas op de eerste trede van de trap heeft geflikkerd, naar mij toe rend en mij omhelst alsof ik niet kan stikken. Het is niet dat ik het niet lekker vind, hoor. De massages zijn heerlijk. De motor draait, het spinnen is al luid hoorbaar. Na een kwartier is hij weer weg. Nadat ik even wat van mijn water heb gedronken, zoek ik weer een leegstaande kamer op. Even bijkomen van alles wat mij vandaag is overkomen.