“In de uren dat we ons het meest ellendig voelen, is er alleen de kracht van liefde die alles kan redden.” Albert Camus aan Maria Casarès, zijn 16-jarige affaire die hij sinds 1944 had, 31 juli 1948 in Correspondance (1944-1959)

De Franse denker, schrijver, essayist en icoon Albert Camus groeide op in het toenmalige Franse kolonie Frans-Algerije in Mondovi (Dréan) in 1913, in een gezin van twee kinderen. Zijn vader heeft hij nooit leren kennen omdat hij in de oorlog sneuvelde. Hij had verder één broer die net als zijn moeder ‘stomdoof’ en analfabetisch was. Omdat zijn moeder hem daardoor niet kon opvoeden, bracht hij de rest van zijn kindertijd bij de moeder van zijn vader door.

Ondanks dat zijn familie niet veel te besteden had, heeft hij die armoede nooit als ongelukkig ervaren. Hij had naar eigen zeggen een fijne, leuke kindertijd. Op de lagere school merkte zijn leraar al vroeg op dat hij niet genoeg werd uitgedaagd, waardoor hij buiten de schooluren om mocht werken.

Met een beurs voor de middelbare school (het Lycée Bugeaud) in 1923 op zak maakte hij, nadat hij later naar de Universiteit van Algiers zou gaan, furore als goalie van Racing Universitaire d’Alger. Daarvoor zou hij één jaar onder de lat hebben gestaan van de Algerijnse voetbalclub Association sportive de Montpensier uit de stad Oran, waar hij een belangrijke levensles trok, namelijk dat mensen niet altijd rechtlijnig zijn. Vooral niet in de metropolis. “[…] Ik heb geleerd dat een bal nooit aankomt aan de kant die je denkt dat hij zal aankomen”, schreef hij daarover in een brief die onder andere gepubliceerd werd in het Franse voetbalmagazine France-Football op 17 december 1957.

Toen een journalist hem tijdens een wedstrijd tussen Monaco en Racing Club Paris op de tribune wees op een fatale blunder die een keeper op het voetbalveld beging, bracht hij nuance door te stellen dat je het niet moet onderschatten, dat eenzame keeperswerk tussen de palen. Camus zélf moest op zeventienjarige leeftijd zijn keeperscarrière noodgedwongen staken nadat zijn dokter tuberculose vaststelde bij hem. Ook kon hij daardoor alleen nog maar part-time studeren, iets wat overigens geen belemmering vormde in het verdere verloop van zijn leven, temeer omdat hij ervan uiteindelijk zou genezen.

De liefde voor de literatuur kwam in zijn studietijd via zijn oom bij wie hij na zijn eerste tuberculoseaanvallen introk, voor een deel van zijn leven. Zijn oom gaf hem de boeken die hij nodig had voor zijn studie en stelde zijn boekenkast ter beschikking aan hem. Zijn professor op de universiteit liet hem later kennis maken met de filosofie, waarvan Nietzsche het beginpunt vormde. Camus werd bevriend met hem en droeg hem op in een van zijn latere werken, om daarmee aan te tonen hij belangrijk hij voor hem was.

Zijn journalistieke loopbaan begon bij de Algerijnse krant Alger Républicaine, om de politieke situatie in dat land extra duiding te geven. In zijn leven zou hij daarna meerdere kranten hebben voorzien van redactionele artikelen.

Zijn eerste huwelijk begon ook in die periode. Simone Hié, die hij als een bevrijden en romantische vrouw typeerde, strandde echter al na twee jaar. Een half decennium later, op 3 december 1940 in Lyon, zou hij in het huwelijksbootje zijn gestapt met Francine Faure, een vrouw met wie hij kinderen kreeg. In de jaren daarvoor verslond de charmante, goed uitziende Camus meerdere vriendinnen.

Begonnen als antifascist en communist, later anarchist, zou Camus de Communistische Partij waarvan hij twee jaar lid is geweest de rug hebben toegekeerd in 1937, vanwege een verschil in mening over de gevaren koers van de beweging. Tijdens de Duitse bezetting van Frankrijk sloot hij zich aan in het verzet, nadat hij afgekeurd werd in het leger. Hij beklede in die periode ook de rol als hoofdredacteur van verzetskrant le Combat, die in die tijd werd opgericht. In 1947 ging de krant door een staking en een daardoor onvermijdelijke uitstroom van zijn lezers failliet, al zou het later een doorstart hebben gemaakt. Camus vertelde in een interview in augustus 1951 met Caliban dat het beroep journalistiek één van de mooiste is, omdat het ‘je dwingt jezelf te beoordelen’.

“Als schrijvers enig respect voor hun vak hadden, zouden ze weigeren om ergens te schrijven. Maar je moet behagen, zeggen ze, en, laten we wel wezen, om te behagen moet je gaan liegen.” Daarnaast constateerde hij dat “alles wat de cultuur verslechtert de wegen verkort die naar dienstbaarheid leiden.”

Vanaf de jaren vijftig zou hij zich als pacifist verder hebben ingespannen voor de rechten van de mens, door onder meer lid te worden van diverse mensenrechtenorganisaties zoals UNICEF en door een fel tegenpleiter van de executie te zijn.

Jean-Paul Sartre

Halverwege zijn leven sloot hij een vriendschap met een van de grootste denkers uit zijn tijd, Jean-Paul Sartre, nadat laatstgenoemde bij een ontmoeting in 1944 Camus voordroeg als regisseur voor zijn toneelstuk Huis Clos – waarvoor Camus bedankte. Ze zouden met elkaar ideeën hebben uitgewisseld en geregeld over elkaars vloer zijn gekomen. Als de denkers die erg nauw verbonden waren met het communisme, en als de schrijvers die in dezelfde taal schreven, hadden ze veel met elkaar gemeen, iets wat hun vriendschap goed kon verklaren.

Het eerste akkefietje ontstond echter al toen de fenomenologische filosoof Maurice Merleau-Ponty een kritisch artikel over hem schreef in de krant Les Temps Modernes, ‘Apprendre à lire’. Camus zou daarover in zijn notities hebben genoteerd dat er ‘geen misverstand is’, verwijzend naar een passage waarin Merleau-Ponty klaagt over “de schurk die een ‘rigide ethiek’ verdedigt”.

Na het verschijnen van Camus’ anticommunistische werk De Mens In Opstand (die hij als zijn magnum opus beschouwd) waarin hij de onderdrukking van het autoritair socialisme gelijkstelde met die onder het kapitalisme, kreeg hij daarop veel kritiek te verduren. Ook onder zijn vakcollega’s. Een kritische recensie in Les Temps Modernes was de aanleiding voor Camus om een letter te dirigeren aan Sartre, onder de titel: Lettre au Directeur des Temps Modernes. Hij schrijft daarin dat Francis Jeanson, de medewerker van wiens hand het kritische stuk verscheen, ‘niet anders kan denken dan dat er geen precieze grens is tussen de man van rechts en de criticus van dogmatisch marxisme’. Ook sprak hij zijn afkeur uit over het links-rechts-denken waar de auteur zijn mening op zou hebben gebaseerd.

Camus bekritiseerde Jean-Paul Sartre omdat hij werd bekritiseerd door mensen die hun stoel nooit in de richting van de geschiedenis hebben gezet (hij refereerde naar Sartre’s standpunt over de guillotine die destijds nog in Frankrijk gebruikt werd). Sartre reageerde daarop weer met de vraag waar dit alles goed voor is, dat hij de ‘guilty by assocation’ van Camus betreurt, maar geen moeite had zelf drogredenen in zijn verweer te gebruiken; ad hominems, meer bepaald. “U bent ten prooi gevallen aan een sombere onmatigheid die uw innerlijke problemen verbergt en die u, denk ik, mediterrane maatregel noemt”, schrijft hij. Ze zouden de ruzie nooit hebben uitgepraat.

Het begin van zijn schrijverschap

Terug naar de start van zijn schrijverscarrière. In 1937 publiceerde hij zijn eerste boek, Keer en tegenkeer, waar hij twee jaar aan zou hebben gesleuteld. Sedert vijf jaar zou hij naam zijn gaan maken als schrijver en filosoof met zijn boeken De vreemdeling en De mythe van Sisyphus. Het leidde het begin in van het absurdisme; zijn absurdisme.

Op de vraag wat Camus is; de moralist, de kunstenaar of de filosoof, koos hij voor het middelste. Zijn verklaring? “Het lijkt mij dat ik niet in staat ben om over iets anders te spreken dan wat ik ervaren heb, en zelfs als ik verder wegga is er een soort onvermogen voor mij dat ik niet met glorie presenteer maar in ieder geval een onvermogen om te spreken van iets anders dan wat ik heb lang heb ervaren. En het overkomt me vaak in mijn werk.”

“Ik ben geen filosoof. Ik geloof niet genoeg in de rede om in een systeem te geloven. Waar het mij om gaat, is erachter te komen hoe je moet leven. En meer precies, hoe je kunt leven wanneer je niet in God gelooft en niet in de rede”, zei Camus in een interview uit 1945.

Het theater

Albert Camus schreef gedurende zijn leven ook aan toneelstukken, daar er een liefdesvlam van het toneel in hem begon te vonken. In 1938 schreef hij Caligula, een toneelstuk die door hem als ‘de cyclus van het absurde’ werd omschreven. Pas zeven jaar later zou het ter uitvoering zijn gebracht. In de tussentijd zou hij meerdere voorstellingen hebben gedaan, waaronder Het misverstand, L’État de siège, De rechtvaardigen en Les Possédés.

In een interview met een Franse televisiezender in januari 1958 werd hij bevraagd over zijn theatervoorstelling The Possessed, gebaseerd op het gelijknamige boek van Dostoyevsky. Op de vraag of hij het stuk profetisch vindt, antwoordde hij instemmend. “Ja, dat denk ik wel omdat het het nihilisme is dat nu deel uitmaakt van ideologieën die voorheen vrijgevig waren. Dat was wat waar Dostoyevsky zich het meest zorgen over maakte, hij liet dat vaak duidelijk merken.”

Het absurd toneel

Camus heeft een grote invloed gehad op het toneel. Grote toneelschrijvers van dit genre zijn onder andere Sameul Beckett en Jean Genet, waarvan laatstgenoemde het toneelstuk Les Bonnes schreef. Camus’ absurdistische theater wordt ook vandaag de dag veel opgevoerd in het theater. Ook in Nederland is het al lange tijd zeer populair. Vooral in het cabaret, waar Hans Teeuwen ons uithangbord ervan is. Het absurd toneel weerspiegelt het absurde, de zinloosheid van ons bestaan in perfectie.

De mythe van Sisyphus

Het leven is absurd, stelde Albert Camus in 1943, die onder meer grote bekendheid verwierf met dit toonaangevende, revolutionaire en voortreffelijke essay waarin hij dat gevoel uiteenzette, één jaar voordat Frankrijk bevrijd zou worden door de geallieerden. Het is opgedeeld in vier hoofdstukken, te weten de Absurditeit en zelfmoord, De muren van het absurde, De filosofische zelfmoord en De vrijheid van het absurde. Camus stichtte daarmee het absurdisme, een filosofie die een afsplitsing is van het existentialisme en een reactie op het nihilisme. Zij redeneert dat hoewel het leven zinloos is – zonder er een semantische discussie over te houden, dat niet hoeft te betekenen dat het leven niet waard is om geleefd te worden. Wie het absurde in al zijn handelingen meeneemt, zich daar dus van bewust is en met volle passie het leven aangaat, is een absurde held volgens Camus. Net als de Veroveraar, de Kunstenaar en de legendarische vrouwenversierder Don Juan, maar ook Kirilov van Dostoevsky en diverse hoofdpersonages in Kafka’s werken zijn dat, die hij in zijn boek beschrijft.

Het absurde is geen definieerbaar begrip. In zijn essay De mythe van Sisyphus levert hij dan ook slechts de basis van het absurde en schrijft hij verder dat de consequenties hem meer interesseren dan de toedracht zelf. Enkele opvallende citaten eruit zijn:

“Het absurde ontstaat uit de confrontatie tussen het roepen van de mens en het onredelijke zwijgen van de wereld.”

“Eén ding slechts: die opsomming van gevoelens die absurditeit in zich kunnen dragen en de vervreemding van de wereld, dat is het absurde.”

Sisyphus, de mythologische figuur waarnaar dit boek is vernoemd, moest in de onderwereld tot in de eeuwigheid voor straf een kei naar boven rollen, boven naar de top van de berg, diep van binnen wetende dat het ooit zal terugrollen en hij er dan weer opnieuw aan moet beginnen. Daarin schuilt volgens Camus een heel stille vreugde. Omdat het zijn lot is, dat het rotsblok van hem is en van niemand anders. Zo accepteert de absurde mens ook zijn lot als hij besluit dat alles goed is. “We moeten ons Sisyphus voorstellen als een gelukkig mens”, schrijft Camus.

Zelfmoord

“Er is maar één werkelijk serieus filosofisch probleem: dat van de zelfmoord. Oordelen of het leven wel of niet de moeite waard is om te blijven leven, dat is antwoorden op de fundamentele vraag die de filosofie ons stelt.”

Als het leven zinloos is, waarom leven we dan nog en plegen we geen zelfmoord? Die vraag behandelde Camus in zijn essay.

Zeker, volgens Camus beëindigd de dood het absurde. Echter, de zekerheden die je hebt en kent; het absurde (de dood, het irrationele), gaan daarmee mee in je dood. Je zult die dus moeten opgeven, wil je uit het leven stappen. Daarnaast heeft zelfmoord geen plaats in de absurdistische gedachtegang. Zij stelt dat het een daad van wanhoop is, dat de onmacht die eraan voorafgaat geen oplossing is voor het absurde.

En, zo schrijft hij, is de opstand tegen het absurde iets waarvoor we moeten leven, daar het waarde geeft, en zou zelfmoord het tegenovergestelde daarvan zijn, namelijk je erbij neer leggen; opgeven. ‘Het [absurde] ontsnapt aan de zelfmoord in de mate waarop het tegelijkertijd bewustzijn en afwijzing is van de dood’, schrijft hij. Wie leeft, is in verzet daartegen.

Wie daarentegen nog altijd zoekt naar de zin van het leven, pleegt filosofische zelfmoord. Zij ontkent daarmee namelijk dat het leven geen zin en betekenis heeft.

Het absurde gevecht, de wapens daarvan zijn vrijheid, opstand en passie. (De verovering, blz. 125)

“Elk mens heeft zich op bepaalde ogenblikken wel eens godgelijk gevoeld. Dat wordt althans gezegd. Maar dat komt doordat hij, in een flits, de verbazingwekkende grootsheid van de menselijke geest beseft.”

“De mens heeft God slechts bedacht om geen zelfmoord te hoeven plegen. Dat is de samenvatting van de wereldgeschiedenis tot op de dag van vandaag.” Blz. 153

“Een reden om te leven is ook een reden om te sterven.”

Vrijheid

Volgens het absurdisme van Camus zijn er deze vrijheden:

De vrijheid, die illusie maakte leven mogelijk, aldus Camus. Zonder de wetten van een overheid is er bijvoorbeeld geen burgerlijke vrijheden omdat hij geen referentiekader heeft waaraan hij zich vast kan grijpen. Dat, en de overheid is niet almachtig; zij legt geen dingen van bovenop af.

De vrijheid van zijn bestaat niet in een leven met de dood. De dood is het einde; dan is het spel afgelopen. Pas als het eeuwige leven zou bestaan, zou deze vrijheid kúnnen bestaan. Zonder, dan niet, schrijft hij.

De vrijheden die we kennen, zijn de vrijheid van geest en van handelen, somt Camus op.

De vrijheid van meningsuiting is bijvoorbeeld één van de vrijheden van een moderne individu binnen de Staat. Die voorkomt dat je vervolgt kan worden omwille het uiten van je mening.

De hoop

Hoop doet leven, is een bekend gezegde.

Hopen is volgens Camus echter een zwaktebod, omdat je daarmee al dan niet gemakshalve negeert dat het immorele universum niks om jou geeft. Het zal jou niet, louter omdat je hoopt, je zin geven.

Mensen die religieus zijn, hopen, weet Camus. Zij bidden en smeken tot God die – volgens de logica – niet bestaat, terwijl ze zichzelf terugtrekken van de werkelijkheid door een kerk binnen te stappen.

Daarom roept hij op om een hopeloze houding aan te meten. Dan maak je geen illusies over dat het altijd goed komt zonder dat je daar zeker van bent. De absurde mens moet echter soms wel terugvallen op de hoop om het absurde bewustzijn helder te houden.

Als de mens absolute onsterfelijkheid had; dat wil zeggen, als het universum en het leven op aarde oneindig lang doorgaat, is het leven niet absurd volgens zijn redenatie. Dat is bij ons niet het geval. De wereld is absurd omdat alles herleidbaar is tot de dood, tot het niets. De zekerheid van het absurde is de zekerheid van de dood en weer de zekerheid van het irrationele. De dood is het einde van alles, constateert hij verderop in het boek.

“De kerken zijn tegen ons”, schrijft Camus op bladzijde 127, omdat zij de eeuwigheid in vaandel hebben, met als gevolg ze niet in dienst staan van de mens die leeft in het hier en nu. Dat zorgt ervoor dat doelen zoals geluk en moed, loon en rechtvaardigheid voor hen van ondergeschikt belang zijn. En, zo schrijft hij ergens, “is de Kerk slechts zo hard geweest voor de ketters, omdat zij meende dat er geen erger vijand bestaat dan een zoon die is afgedwaald”.

De waarheid

“Zowel in de psychologie als in de logica zijn er waarheden, maar geen waarheid.”

De waarheid bestaat volgens Camus niet, omdat deze ongrijpbaar is. Wel kennen we binnen onze eigen belevingsveld bepaalde waarheden, zoals de waarheid dat de zon iedere avond ondergaat en de wind die onze haarsprieten in beweging brengt als we de adem van de aarde tot ons nemen.

De Mythe van Sisyphus biedt al met al de handvaten hoe om te gaan met het absurde die overal aanwezig is, vooral in alledaagse situaties kan het ons bij de keel grijpen zoals in de trein of in de taxi. Of het nu onze verjaardag is of de dood van iemand, continu worden we geconfronteerd met het absurde. Ook de werkelijkheid dat we leven op een rotsblok die in het duister om een brandende zon draait, is met recht absurd te noemen. We moeten die aanvaring niet onveranderd laten, we moeten het omarmen en in ons achterhoofd houden. Dán pas kunnen we leven, zo is zijn boodschap geparafraseerd.

De vreemdeling

Zijn bekendste werk, De vreemdeling, verscheen in 1942. Hierin pleegt de apathische protagonist, Mersault, een moord. Het is één van de vele consequenties van het absurde. Een Arabier was het slachtoffer. Voor de rechtbank is het enige wat hij zei, dat de zon hem tot deze daad dreef. Hij krijgt de doodstraf; zijn aalmoezenier trok dat door naar de mens zelf. Immers, íedereen krijgt de doodstraf. Hoe je het wendt of keert, niemand ontkomt eraan. Het verhaal straalt een en al absurdisme uit – wat ook de reden is dat het zo geroemd wordt.

De Pest

“Plagen zijn een zaak van iedereen, maar het is moeilijk om in plagen te geloven op het moment dat ze je overvallen”

In 1947 verscheen zijn roman De Pest, gebaseerd op de cholera-epidemie. Hij vergeleek daarin de ziekte en de daaruit ontstane situatie met het absurde. Dokter Rieux, de protagonist van het verhaal, moest verbonden aan de eed van Hippocrates mensenlevens proberen te redden terwijl hij tegelijkertijd toezag hoe er dagelijks duizenden mensen de dood vonden door de rattenplaag die zijn stad in korte tijd in een kerkhof deed veranderen. Het virus maakte hem duidelijk dat alles op elk moment anders kan zijn, dat het niet uit Gods hand kwam dus geen straf van Hem was maar louter een product uit de natuur. Met lockdowns, saamhorigheid, moed en angst zouden de inwoners van de kuststad waar het zich afspeelde hebben geprobeerd het virus zo min mogelijk slachtoffers te laten maken. Over dat alles deed Rieux verslag.

Volgens kenners zou het een allegorie zijn voor het autoritarisme. De pest, daarentegen, staat symbool voor het absurde.

Nobelprijs voor de Literatuur

Op 16 oktober 1957 kreeg hij in een restaurant te horen dat hij de Nobelprijs voor de Literatuur had gewonnen vanwege zijn essay Réflexions sur la Guillotine tegen de doodstraf en wegens zijn verdienste voor de wereldvrede. Het was een bekroning voor zijn harde werk tegen onrecht en onderdrukking die de wereld in zijn greep hield. Zelf was hij het er niet mee eens; volgens hem had de prijs niet naar hem maar naar André Malraux moeten gaan, omdat hij diens prestaties voor de wereld belangrijker achtte. Tóch weigerde hij het niet in tegenstelling tot zijn compagnon Sartre en schudde hij de handen met de ambassadeur van Parijs in Zweden.

Zijn relatie met Algerije

Omdat hij dus van oorsprong uit Algerije komt, maakte het deel uit van zijn identiteit. Bij een toespraak zei hij dat hij van zijn geboorteland blijft houden en dat het hem deugd doet te zien dat de Algerijnen Parijs ‘koloniseerde’. In de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog koos hij de kant van Frankrijk, maar een dergelijke onafhankelijkheid kon bij hem wel goedkeuring vinden.

Dood

Camus overleed onverwachts op 4 januari 1960 op 46-jarige leeftijd in een tragisch ongeval. De auto waarin hij op de bijrijdersstoel zat, naast zijn uitgever, ontspoorde volledig en knalde tegen een boom aan. Hij liet twee kinderen en een vrouw achter, maar ook een rijk nalatenschap, die zijn dochter Catherine in het beheer heeft en hoog houdt. Bij het ongeluk liet hij zijn onvoltooide manuscript De eerste man die hij tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog van Algerije schreef in de autodesk achter, die tientallen jaren later door haar gepubliceerd zou worden.

Camus haalde alles uit zijn leven wat erin zat en wordt vandaag de dag nog altijd geprezen en geëerd om zijn werk. Dat blijkt vooral uit het commentaar die mensen over hem geven.

“Voor velen blijft Camus de dode held – en misschien wel held omdat hij dood is – van een mensbeeld dat des te mooier is omdat het vrij is van historische toevalligheden, des te zuiverder omdat het losgemaakt is van alledaagse noodzakelijkheden, des te waarachtiger omdat het elke mogelijkheid van incarnatie afwijst, omdat het niet bestaat. Hier herkennen we de cartesiaanse hartstocht van volkeren die ongelukkig zijn met het idealisme.

“Helden sterven jong. Ze moeten wel. Gelukkig. Het leven, ik bedoel de gevolgen van de ouderdom, zou hen spoedig bitter, chagrijnig, ondraaglijk maken. Maar Camus had geen tijd om oud te worden, hij kreeg de genade om het te doen. Zijn vroegtijdige dood, zijn (misschien) onvoltooide werk, dat banale ongeluk dat sommige professoren nog steeds in de ban hebben geromantiseerd (wat ze hem overigens nooit zullen vergeven!), dit alles is Camus”, schrijft zijn krant Combat in een special gewijd aan hem.

“Wat moeten we doen om een wereld te bereiken die minder wordt onderdrukt door behoeften en vrijer is?”

 Albert Camus: “Geef, wanneer je kunt. En niet haten, als je kunt”.

 Albert Camus, in zijn laatste interview (december 1959)

Trivia

Bronnen

https://www.footichiste.com/2013/05/14/football-albert-camus/ (“Ce que finalement je sais sur la morale…”)

https://www.youtube.com/watch?v=ExCINtQojrc (Interview with Albert Camus : A Goalkeeper – A Genius- A Nobel prize winner)

https://www.bilibili.com/video/BV1Rs41187jK/ (Albert Camus on Nihilism)

https://www.youtube.com/watch?v=wbTNGRADAkM (Albert Camus Entretien 1955)

https://www.youtube.com/watch?v=aVJsoXs9wmQ (Albert Camus sur la littérature Algérienne et l’Algérie de demain (1958))

http://lyc-george-sand-la-chatre.tice.ac-orleans-tours.fr/eva/spip.php?article1377 (Interview d’Albert Camus du 2 Janvier 1960 par Bénédicte et Camille)

https://books.google.nl/books/about/The_Myth_of_Sisyphus.html?id=zaPoAQAAQBAJ&redir_esc=y (The Myth of Sisyphus)

http://palimpsestes.fr/textes_divers/c/camus/Camus-Rupture-avec-Sartre.pdf (La rupture avec Sartre)

‘Albert Camus dronk wijn uit Meursault’, Het vre volk: democratisch-socialistisch dagblad 23-02-1979

‘Sartre schrijft niet meer’, NRC Handelsblad 27-06-1975

‘Special Albert Camus’, Combat 8-01-1970

https://lareviewofbooks.org/article/us-camus-interview-catherine-camus/ (“Each of Us Has His or Her Own Camus”: An Interview with Catherine Camus)

https://www.nobelprize.org/prizes/literature/1957/camus/facts/ (Albert Camus – Facts)

https://twitter.com/coherence_e/status/1348308625568264195

Dit portret wordt verder aangevuld naarmate er meerdere interviews en werken van Albert Camus zijn bestudeerd